TrosKompas

ZATERDAG 31 DECEMBER | NPO 3 | 22.01 uur
Winnaar TrosKompas Oeuvre Award 2022

Interview met Lee Towers

Lee Towers heeft dit jaar de Troskompas Oeuvre Award ontvangen. Hij kreeg deze uitgereikt tijdens het ‘Muziekfeest van het jaar’, te zien op oudejaarsavond bij AvroTros. Hij heeft inmiddels 48 albums uitgebracht.

 

Gefeliciteerd met de Oeuvre Award. Ben je er blij mee?
“Of ik er blij mee ben? Wat heet, zeg, hartstikke blij! Ik ben er trots op en ook heel dankbaar voor. Het is toch weer een mijlpaal en een eerbetoon aan mijn oeuvre, mijn leeftijd en wat ik heb betekend voor de muziekindustrie. Ik heb 48 albums gemaakt, gemiddeld één per jaar, en er liggen nog twee nieuwe op de plank. Een met nummers uit het Great American Songbook. Dat zou verschijnen toen ik 75 jaar werd, maar de pandemie gooide roet in het eten en mijn hoofd stond er toen ook niet naar. Ik vond het een heel nare periode. Nu baart Oekraïne me weer zorgen, en de verdeeldheid onder de mensen. Die Award is een lichtpuntje.” Is je verhuizing naar Rotterdam, na 34 jaar Scheveningen, dat ook? “We zijn heel erg blij weer in de armen van Rotterdam te liggen. Ik ben geboren in Bolnes, een gehucht bij Ridderkerk. Aan de overkant van de Nieuwe Maas lag Rotterdam. Ik had er de pest in dat ik aan de verkeerde kant van de straat woonde. Aan de overkant en in de stad begon de vernieuwing. Ik ben er trots op dat ik als ambassadeur van de stad bijna alle onderscheidingen heb mogen ontvangen.”

Had je ooit kunnen denken zo carrière te maken?
“Nee, absoluut niet. Mijn vader Krijn was zwaar christelijk, Nederduits hervormd. Hij gebruikte twee uitdrukkingen: ‘Als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje’ en ‘Het is voor ons soort mensen niet weggelegd.’ Oftewel: Je moet je schikken in je lot. We waren arm thuis, een gezin met vijf broers en een zus. We wasten ons één keer per week in de schuur in een teil. Als we zomervakantie hadden, werkten we zes weken lang, inclusief mijn moeder, op het land. Bonen of aardbeien plukken. Als ik soms een boodschapje voor een buurvrouw deed en als dank een kwartje fooi kreeg, gaf ik dat aan mijn moeder. Dan was ze zó blij.”

Je raakt er nog steeds geëmotioneerd door, zie ik.
“Ja, wij leerden samen te overleven. Een voor allen, allen voor een, zoals de drie musketiers. Maar er werd thuis nooit over gesproken dat we arm waren. Daar waren we te trots voor.”

Mocht je thuis naar muziek luisteren?
“We hadden geen radio en televisie. Goddeloos was dat. Zondagmiddag mochten we niet buitenspelen, maar we gingen ook niet naar de kerk, want die was niet zwaar genoeg. Mijn vader las zelf twee uur voor uit de Staten-bijbel, zo een met van die koperen hangsloten. Hij kende hem helemaal uit z’n hoofd, had zo dominee kunnen zijn. Hij droeg ook wel liedteksten voor, als een soort artiest. En mijn moeder, een sopraan, zong af en toe als Maria Callas. Pas midden jaren vijftig kregen we een radio. Een bakelieten kastje met een speaker. Die radio was uitsluitend bedoeld om het nieuws te luisteren. Als m’n vader er niet was draaide ik aan die knoppen, en zo ontdekte ik Radio Luxembourg. Hoorde ik ‘Hello Mary-Lou’ van Ricky Nelson. Geweldig! Fats Domino, The Everly Brothers.

Het mooie was toen al, dat als ik een liedje drie keer had gehoord het direct op mijn harde schijf stond. Dan kon ik het lied fonetisch meezingen. In die tijd kochten we ook altijd kauwgom, op het wikkeltje stond de tekst van een hit. Ik verzamelde die wikkeltjes. De zus van een schoolvriend liet ik de teksten vertalen om te weten waar de nummers over gingen. Engels werd zo mijn beste vak op school. Het eerste singletje dat ik ooit kocht was van Elvis Presley, ‘A big hunk o’ love’. Mijn ouders kwamen van schrik naar boven: ‘Wat is dat voor een pokkenherrie?!’ Elvis was mijn held en is dat nu nog. In 1995 kreeg ik als eerste zanger buiten Amerika de zogeheten Graceland Award. Ik ben dus ‘One of the Kingsmen’, zoals dat heet.”

Wanneer ging je zelf muziek maken?
‘Ik was vijftien toen ik zanger werd in een gitaarbandje, The Jumping Dynamites. Er was een schuilhokje bij het pontje dat de rivier overvoer. Als je daarin zong, galmde het alsof je in een studio stond. Ik kreeg er van mijn vriendjes complimenten over. Zo rolde ik erin. We begonnen met liedjes van Cliff Richard; hij was de favoriete zanger van de andere bandleden. Ik moest knokken om Elvis te mogen zingen. Ik was een kind van mijn tijd, een nozem. Ik droeg een spijkerjack, jeans, ‘blue suede shoes’. We haalden oude kranten op om versterkers en gitaren te kopen. De band stopte toen er twee in militaire dienst moesten. Daarna kwam ik bij The Drifting Five, waar ik zong en soms basgitaar speelde. Zonder noten te lezen, dat kon ik niet. Ik deed alles op gehoor en gevoel.”

Hoe werd je De Zingende Kraanmachinist?
“In Bolnes had je een grote scheepswerf, Boele. Vanuit onze tuin keek je uit op de kustvaarders die op de helling lagen. Dat ik daar ging werken lag nogal voor de hand, want er was niks anders. Eerst als bankwerker, later als scheepsdiesel-monteur en uiteindelijk als onderhoudsmonteur voor machines, met daarbij het onderhoud van die grote kranen. Ik had van huis uit geleerd dat je moest zorgen dat je van niemand afhankelijk was. Hard werken was dus ons credo en dat deed ik op de scheepswerf. Totdat ik in 1975 in ‘Voor de vuist weg’ van Willem Duys optrad met een song van Al Jolson, ‘Sonny Boy’. Willem liet toen een foto zien van mij in zo’n torenkraan, waarna ik in zijn optiek De Zingende Kraanmachinist werd. Een gewone jongen die prachtig zong, sprak kennelijk enorm tot de verbeelding van die zeven miljoen kijkers.”

Een gewone jongen die vijftig concerten in Ahoy gaf tussen 1984 en 2000… “In elk zichzelf respecterend land traden artiesten op in concertzalen en schouwburgen, alleen in Nederland niet. Dus toen ik in 1979 mijn eerste concert in De Doelen wilde geven, zei iedereen: ‘Dat kan niet! Die Towers denkt zeker dat-ie in Amerika woont.’ Dat is onze calvinistische aard. Je mag nooit je kop boven het maaiveld uitsteken. Dat wist ik, want ik had het artiestenvak goed bestudeerd. Maar ik vond het flauwekul. Dus initieerde ik de show zelf, net als de sponsorpakketten die ik in 1984 in Nederland introduceerde voor de Ahoy-shows.”

Hoe kwam je op dat idee?
“Ik trad op tijdens de wielerzesdaagse in Ahoy. Daar zat het hele bedrijfsleven uit Rotterdam op het middenterrein. Als ze sponsorden, kwamen hun namen voorbij op zo’n lullig lichtkrantje hoog in de nok. De mensen waren er voor het wielrennen, maar ik kreeg zingend de zaal in no time plat. Wielrenbaas Peter Post zei toen: ‘Ik zie nog gebeuren dat jij hier in Ahoy shows gaat geven, Leen.’ Ik dacht, die is gek. Maar het leidde uiteindelijk wel tot het Gala of the Year, met zeventig man orkest en vijftig man ballet. Voor gewone mensen zou een kaartje voor zo’n show niet te betalen zijn, dus kwam ik op het idee om de shows te laten sponsoren zodat ik de ringkaarten goedkoop kon houden.

Ik ben nooit vergeten waar ik vandaan kom. Al die ondernemers belde ik, tot hun verbazing altijd zelf. Het waren megaprojecten. Nu heb je in de Ziggo Dome en andere grote zalen ledschermen waarop je met een druk op de knop een andere achtergrond creëert. Wij moesten alle decors in een week zelf bouwen. Trappen die hydraulisch omhoog en omlaag bewogen. We hadden een wolkengordijn van 48 meter breed en 16 meter hoog, met erachter nog andere gaasdoeken. Maar hoe gingen we die ophangen? Op een dag zag ik bij een pluimveeslachter kippen aan rails hangen. Bingo! Dat systeem was voor mij de oplossing.”

De Toppers zijn met hun shows schatplichtig aan je?
‘Hun manager, Benno de Leeuw, was mijn laatste producent. Hij en zijn team zijn praktisch allemaal bij mij opgeleid door mijn toenmalige producent Hans Sleeswijk. Ik was ook de eerste in Nederland die om kaarten te kunnen verkopen voor Ahoy een stoelenplan liet maken. Joop van den Ende vroeg me zelfs, toen hij de musicals in Ahoy ging doen, als adviseur.”

Je hebt twee specifieke handelsmerken. Waar komt je beroemde elleboog vandaan?
“Gewoon ontstaan. Ik stond te dansen op Frank Sinatra’s ‘New York, New York’ en bewoog ritmisch mijn armen naar achteren, daarna werd het kennelijk een gimmick.”

En je gouden microfoon?
“Die kreeg ik met inscriptie van Ampco Flashlight, het licht- en geluidbedrijf dat ik voor mijn eerste Ahoy-shows inhuurde. Uit respect voor ons gezamenlijke pionierswerk, want zo’n grote galashow was nog nooit in ons land vertoond. Ik vond het toen wat overdreven, maar uit respect gebruik ik hem nog steeds.”

Je komt uit een arm gezin, maar streefde later in alles klasse na...
“Dat hebben we van huis uit meegekregen. Als mijn vader de deur uitging, droeg hij een mooi pak, hoed op. Je kon aan hem niet zien dat hij een werkman was. Ik ergerde me ook dood toen Tim Hofman op het Televizier-Ring Gala twee prijzen kwam ophalen in een spijkerbroek en leren jasje. Je wordt wel geëerd, kom dan netjes! Zo is ook het kledingvoorschrift! Wij hadden, hoe arm ook, zondagse kleren en schoenen. Onze opvoeding was heel erg geënt op normen en waarden. Op traditie. Beschaafd, beleefd, en met respect omgaan met mensen. Dat is ook de reden dat ik destijds al mijn vijfhonderd medewerkers bij de Ahoy-shows een hand gaf. Uit waardering dat ze belangrijk waren en voor me werkten.”

Zit er ooit nog één keer Ahoy in voor jou?
“Zeg nooit nooit. In 2011 heb ik nog een keer een concert gegeven. Ik zou diep in mijn hart nog elke dag in Ahoy willen staan, maar ik loop lastig door een rugoperatie. En wat zou ik er nog mee moeten bewijzen? Bovendien ben ik een man van de kapstokken, er moet wel altijd een aanleiding zijn…

In 2024 is het veertig jaar geleden dat je voor het eerst in Ahoy stond…
“Hahaha, dat is waar, en in 2025 word ik tachtig. Als ik het ooit doe, dan wel als Lee Towers & Friends.”

Hoe vier jij oud en nieuw?
“Gezellig met mijn vrouw en kinderen, genietend van het vuurwerk bij de Erasmusbrug, in ons nieuwe huis aan de Maasboulevard in Rotterdam.”

 

Het hele interview is te lezen in de TrosKompas die 27 december in de winkel ligt. 

 

Deze artiesten wonnen eerder de TrosKompas Oeuvre Award:

  • 2010: Peter Koelewijn
  • 2011: George Baker
  • 2012: Jan Smit
  • 2013: Rob de Nijs
  • 2014: Pierre Kartner
  • 2017: René Froger
  • 2018: Willeke Alberti
  • 2019: Gerard Joling