TrosKompas

NOSTALGIE GT Rovers

Opkomst Chinees restaurant

Hele generaties zijn opgegroeid met babi pangang, foeyonghai, saté en de loempia. Viel er wat te vieren? Dan gingen we naar de Chinees. In elk dorp en iedere stad was wel een Gouden Lotus, Happy Garden, Tong Ah of Chinese Muur te vinden, herkenbaar aan de rood met gele kleurelementen aan de gevel en binnen rijkelijk versierd met rode lampionnen, drakenkoppen en lachende boeddha’s.

Voor veel Nederlanders was de Chinees de eerste ervaring met uit eten gaan. Op de menukaart stonden vreemde gerechten als nasi, bami en tjaptjoi, voorzien van een nummer. Was de bestelling opgenomen, dan werd die via het ‘luikje’ aan de keuken doorgegeven. Wie lekker thuis met een bord op schoot wilde eten, ging naar de afhaalchinees. Dat was goedkoop en je kreeg lekker veel. Het eten zat in witte plastic bakken, werd ingepakt in grijs papier en in een plastic tasje gestopt met een zakje kroepoek. “Sambal bij?”

Hollands tintje

Rotterdam kreeg in 1920 als eerste een Chinees eethuis. Daarna volgde Amsterdam in 1924. Dit kwam doordat de Chinezen via de koopvaardij naar de havensteden in ons land kwamen. Vooral na de stroom repatrianten uit Indonesië, vanaf 1945, groeide de behoefte aan Indisch eten. Veel Chinese restaurants namen Indische ‘kokkies’ in dienst en werden Chinees-Indische restaurants. Om zich aan te passen aan de Nederlandse eetcultuur kregen de gerechten een Hollands tintje. Dat ondervond Chinees-liefhebber Frans Bauer toen hij in 2019 voor een tv-programma naar China reisde. Hij zei: “Dit geloof je niet: ik heb nog nooit zo weinig Chinees gegeten als daar!”

Nu verdwijnen steeds meer Chin.-Ind.-restaurants uit het straatbeeld. Dankzij stichting Meer dan Babi Pangang is de Chin.-Ind.-restaurantcultuur sinds 2020 nationaal erfgoed. “En terecht, want onze babi pangang is zo Nederlands als wat”, aldus de stichting.